Als zelfstandige

De invloed van inkomsten uit auteurs- en naburige rechten op de sociale bijdragen van zelfstandigen.

Inleiding

De fiscale kwalificatie van inkomsten uit auteurs- en naburige rechten als roerend inkomen heeft ook gevolgen voor de manier waarop een kunstenaar zich kan organiseren in de sociale zekerheid. Roerende inkomsten in de belastingaangifte zullen voor het bepalen van de sociale bijdragen van de zelfstandigen buiten de berekeningsbasis kunnen worden gehouden. Dit betekent echter niet dat een persoon die enkel auteurs- of/en naburige rechten ontvangt zich niet dient aan te sluiten als zelfstandige en aan aan de minimumbijdragen zal onderworpen worden. In een nota van 31 mei 2010 geeft het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen een overzicht van de verschillende situaties die zich kunnen voordoen.
 

Auteursrechten

De RSVZ maakt voor het innen van auteursrechten een onderscheid tussen de volgende twee gevallen:

  1. Personen die een statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan het sociaal statuut van zelfstandigen of beroepsinkomsten kennen uit een andere zelfstandige activiteit.

    In dit geval komt artikel 5 K.B. nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen op de proppen. Dit stelt dat de betrokkene, die een statuut kent dat als gelijkwaardig wordt beschouwd, niet meer zal onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen.

    Bij een andere zelfstandige activiteit betekent dit dat de sociale bijdragen enkel berekend worden op de inkomsten uit die andere activiteit. Wanneer het grensbedrag (Ij. 2016: 57.590) overschreden wordt, en zij door de fiscus als beroepsinkomen wordt aanzien, is het volgens de nota aan de onderworpene om het surplus door te geven aan het sociaal verzekeringsfonds. Op die manier halen zij deze uit de berekeningsbasis.
     

  2. Personen die enkel inkomsten uit auteursrechten genieten en geen ander statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van een zelfstandige.

    Indien personen niet genieten van een gelijkwaardig sociaal statuut zoals bepaald in artikel 5, inkomsten uit auteursrechten genieten en dit gekwalificeerd kan worden als een zelfstandige beroepsbezigheid, dan zullen zij zich dienen aan te sluiten als zelfstandige in hoofdberoep met onderwerping aan de minimumbijdragen. Van zodra er sprake is van een surplus boven het grensbedrag, worden de sociale bijdragen berekend op dit surplus.
     

Naburige rechten

De RSVZ merkt op dat artikel 5 K.B. nr. 38 niet van toepassing is op de genieters van naburige rechten, aangezien het artikel enkel de “genieters van auteursrechten” vermeldt. Hierdoor wordt de vrijstelling voor zij die een gelijkwaardig sociaal statuut hebben dus buiten werking gezet. Het moet wel nog steeds gaan om een zelfstandige “beroepsbezigheid” in de zin van artikel 3, §1 K.B. nr. 38, die uitgeoefend wordt met de naburige rechten. 

Opnieuw maakt de RSVZ een onderscheid tussen 3 situaties:

  1. Personen die daarnaast nog genieten van beroepsinkomsten als werknemer of ambtenaar, of uit een andere zelfstandige activiteit.

    Zolang de inkomsten uit naburige rechten onder het grensbedrag blijven, zijn de minimumbijdragen als zelfstandige in hoofd- of bijberoep verschuldigd voor zij die als werknemer of ambtenaar hun sociale zekerheid opbouwen. Van zodra er sprake is van een surplus, worden de sociale bijdragen berekend op dit surplus.

    Bij een andere zelfstandige activiteit blijft dit de basis voor de berekening van sociale bijdragen. Is er een surplus boven het grensbedrag, dan dient de vraag gesteld worden of er al dan niet sprake is van een zelfstandige beroepsactiviteit. Is het antwoord bevestigend, dan komt het surplus bij de inkomsten uit andere zelfstandige activiteit teneinde de sociale bijdragen te berekenen. Is het antwoord negatief, maar worden zij in de fiscaliteit toch aangemerkt als beroepsinkomsten, dan kan de onderworpene opnieuw het surplus uit de berekening laten halen bij zijn sociaal verzekeringsfonds.
     

  2. Personen die enkel inkomsten uit naburige rechten genieten.

    Wanneer er sprake is van een zelfstandige beroepsbezigheid in de zin van artikel 3 K.B. nr. 38, dienen deze personen zich aan te sluiten als zelfstandige in hoofdberoep met onderwerping aan minimumbijdragen. Daarna worden de sociale bijdragen berekend op het surplus.
     

Vraagstukken

Er kan onduidelijkheid ontstaan over twee begrippen die gehanteerd worden door de RSVZ: ten eerste die van de zelfstandige beroepsbezigheid, ten tweede die van het “gelijkwaardig” statuut:

  1. De zelfstandige beroepsbezigheid

    Een belangrijke vraag die zich stelt is of ingevolge artikel 3, §1 K.B. nr. 38  houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen de genieter van auteurs- of naburige rechten überhaupt onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Hiervoor moet er voor de sociale zekerheid sprake zijn van een “beroepsbezigheid”, zelfs al overschrijden de inkomsten op fiscaal vlak het drempelbedrag en worden zij fiscaal gekwalificeerd als beroepsinkomen.

    De fiscale kwalificatie van de inkomsten als bezoldigingen van bedrijfsleiders, winsten of baten vormt hierbij wel een weerlegbaar vermoeden. Deze kwalificatie steunt hoofdzakelijk op drie elementen, die in elke zaak van wisselend belang zijn:

    - Repetitiviteit, waarbij het niet gaat om de frequentie van inkomsten maar over de hoeveelheid verrichtingen en hun onderlinge verbondenheid. Zo kan een auteur die meerdere onderzoekshandelingen heeft gesteld om één keer een vergoeding te krijgen voor zijn in licentie geven van het artikel, die vergoeding toch als een beroepsinkomsten zien gekwalificeerd worden. Het precaire karakter van inkomsten en activiteit is eigen aan het beroepsinkomen van de zelfstandige[1] en weerlegt dus geen continuïteit.

    - In sommige zaken wordt gekeken naar hoe de genieter van auteursrechten zich organiseert. Heeft hij een speciaal opgezette organisatie en professionele structuur om zijn inkomsten binnen te halen?

    - Tot slot was ook het duidelijke winstoogmerk in sommige zaken belangrijk.

    Toch blijft in essentie het sociologisch criterium[2] van de zelfstandigen primeren. Er moet sprake zijn van een echte beroepsactiviteit: een minimum van regelmaat en continuïteit met winstoogmerk, ongeacht het bedrag van de inkomsten. Wanneer het fiscaal vermoeden speelt, zal de eventueel onderworpene van deze elementen het tegendeel moeten bewijzen.

    In het oude artikel 3, §1 K.B. nr. 38 stond een indicatieve tijdsbepaling: de activiteit moest zich gewoonlijk over minstens achttien dagen per jaar uitstrekken. Maar ook dan mocht niet enkel naar de effectieve dagen van activiteit gekeken worden: men moest rekening houden met een “geheel van onderling samenhangende handelingen, die veelvuldig voorkomen en een beroepskarakter vertonen”[3].  Met andere woorden: ook de voorbereidingstijd telde mee. Nu is de tijdsbepaling geschrapt en blijft enkel de subjectieve invulling over van deze elementen. Dit zorgt ervoor dat een rechter van geval tot geval zal kunnen beslissen.
     

  2. Het gelijkwaardig statuut

    Een tweede belangrijke vraag, die eventueel volgt na het vaststellen van een daadwerkelijke beroepsbezigheid, is welke statuten als “gelijkwaardig” worden beschouwd met dat van een zelfstandige. Enkel wie zich in die situatie bevindt kan namelijk genieten van de uitzondering van artikel 5 van het Koninklijk Besluit.

    De RSVZ ziet als gelijkwaardig een activiteit die een “dekking” biedt in “alle sectoren van het zelfstandigenstatuut”. Dit wierpen zij ook op in een grief bij Cassatie: “De stelsels van het sociaal statuut der zelfstandigen zijn de volgende: kinderbijslag, rust- en overlevingspensioenen en uitkeringen in geval van ziekte en invaliditeit, sector gezondheidsverzorging en uitkeringen.”.

    Cassatie verwees echter naar het verslag aan de Koning betreffende artikel 5 van het Koninklijk Besluit. Hieruit zou blijken  dat een gelijkwaardig statuut enkel betekent het onderworpen zijn aan sociale bijdragen voor rust- en overlevingspensioenen der zelfstandigen, ofwel onderworpen zijn aan een andere rust- en overlevingspensioenregeling wegens een gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling, zoals die van de werknemers of de ambtenaren. Daaruit volgt ook dat het sociaal statuut moet ontstaan uit een uitoefening van een persoonlijke beroepsbezigheid, niet uit afgeleide rechten zoals in casu het geval: de man was gelijkgestelde met een zelfstandige in bijberoep op basis van de beroepsbezigheid van zijn vrouw.

    Zo ging het Arbeidshof van Brussel in één zaak trimester na trimester na of een persoon sociale zekerheidsbijdragen had betaald in een ander statuut, hoeveel deze sociale zekerheidsbijdragen precies bedroegen en of deze hem een gelijke bescherming met die van een zelfstandige opleverden[4].




[1]
Brussel 25 april 2013

[2]Arbh. Bergen (6e k.) nr. 2012/AM/140, 11 januari 2013.  

[3]Cass. 13 mei 1985 (R.I.Z.I.V. / M.) 

[4]Arbh. Brussel (10e k.) nr. 46.600w, 22 mei 2008, AM 2008, afl. 5, p. 420 - 425.  

 

 

x

Cookies

Deze website gebruikt zowel functionele als niet-functionele cookies. Voor het plaatsen en uitlezen van niet-functionele cookies hebben wij uw voorafgaande toestemming nodig; voor functionele cookies niet. U kunt het gebruik van cookies later nog wijzigen en uw voorkeuren aanpassen.
Meer info in ons Cookiebeleid.
Akkoord