Private Stichting

Vooraf

De (private) stichting is een relatief recente rechtsvorm in het Belgische recht, en werd ingevoerd bij Wet van 2 mei 2002 tot wijziging van de Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (hierna ‘V&S-Wet’).
 
Specifiek voor de artistieke sector is de juridische structuur van de stichting om diverse redenen interessant. Zo laat zij toe een vermogen afkomstig van artistieke activiteiten af te zonderen in een organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid en die, in het geval van een stichting van openbaar nut, niet onderworpen is aan de jaarlijks te betalen patrimoniumtaks. Daarnaast heeft zij als grote voordeel dat er geen ledenorgaan is waaraan de raad van bestuur verantwoording dient te af te leggen. Tot slot is de stichting onderworpen aan een minder dwingende vormgeving zodat zij geniet van een grote statutaire vrijheid.
 
Wat zijn de typische kenmerken van een stichting? 
 

 “Belangeloos” doel

Artikel 27, eerste lid van de V&S-wet bepaalt dat een stichting (private stichting of stichting van openbaar nut) wordt opgericht door een rechtshandeling van één of meerdere natuurlijke of rechtspersonen die een vermogen aanwenden ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel.
 
Het doel van de stichting moet bepaald zijn en in detail worden omschreven in de statuten, samen met de activiteiten die de stichting beoogt om dat doel te bereiken.
 
Wat de precieze inhoud is van het begrip ‘belangeloos’, wordt door de V&S-wet niet toegelicht. Enige aanwijzing over de inhoud is wel terug te vinden in de parlementaire voorbereidingen, waarin wordt bepaald dat een doel als ‘belangeloos’ kan worden beschouwd wanneer het niet gericht is op de verwezenlijking van winst voor de stichting.
 
De notie ‘belangeloos doel’ is in ieder geval een rekbaar begrip dat op verschillende manieren kan worden ingevuld. De parlementaire voorbereidingen en de rechtsleer halen een aantal toepassingsmogelijkheden aan van een stichting, waaronder bijvoorbeeld de instandhouding van een collectie kunstwerken of het behoud van de integriteit van een patrimonium.
 
Bij de stichting van openbaar nut moet het belangeloos doel daarenboven gericht zijn op de verwezenlijking van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard. Deze doeleinden moeten in de ruime zin worden opgevat.
 

Uitkeringsverbod

Het uitkeringsverbod houdt in dat de stichting geen stoffelijk voordeel mag verschaffen aan de stichters, de bestuurders of derden. Voor derden is evenwel in een uitzondering voorzien, met name wanneer het toekennen van een stoffelijk voordeel verantwoord wordt door de ‘verwezenlijking van het belangeloos doel’. Ter illustratie kan het voorbeeld worden aangehaald van de stichting die zich bezig houdt met kunst door en van mensen met een handicap (beeldende kunst, theater, muziek, poëzie...) en die uitkeringen doet voor extra ondersteuning van mensen met een handicap, bijv. om kunstopleidingen te volgen. Een ander voorbeeld is de stichting die uitkeringen doet aan veelbelovende jonge kunstenaars om vormingen in het buitenland te volgen of om specifieke materialen aan te kopen.
 
Het verbod om stoffelijke voordelen te verschaffen aan de stichters, bestuurders of derden, heeft betrekking op rechtstreekse materiële vermogensvoordelen (d.i. rechtstreekse winstuitkering).
 
Indien de stichting, tegen dit uitkeringsverbod in, beslist dergelijke voordelen toe te kennen aan stichters, bestuurders of derden en aldus overgaat tot “winstuitkering”, dan kan iedere belanghebbende de nietigverklaring vorderen van de betrokken rechtshandeling.
 
Uit het voorgaande vloeit voort dat onrechtstreekse vermogensvoordelen wel toegelaten zijn (bv. kostenbesparing, belangenbehartiging,…). Deze onrechtstreekse vermogensvoordelen mag men niet verwarren met de rechtstreekse vermogensvoordelen die op onrechtstreekse wijze worden uitgekeerd. Wanneer bijvoorbeeld voor de huur van een onroerend goed dat toebehoort aan een bestuurder van de stichting een abnormaal hoge huurprijs wordt betaald door de stichting, komt dit feitelijk neer op een rechtstreeks vermogensvoordeel aan de bestuurder-verhuurder. Het criterium ter ontmanteling van vermomde rechtstreekse vermogensvoordelen is het principe van de marktconformiteit. De verhuring van een onroerend goed door een bestuurder aan een stichting is dus wel toegelaten wanneer de verhuring plaatsvindt tegen marktconforme voorwaarden. Wanneer de verhuring plaatsvindt tegen prijzen die niet marktconform zijn, is er daarentegen sprake van onevenredige contractuele prestaties en dus (vermomde) rechtstreekse vermogensvoordelen, die bij wet verboden zijn.
 

Rechtspersoonlijkheid

Door een stichting op te richten kennen de stichters het vermogen dat zij voor de stichting bestemmen een eigen rechtspersoonlijkheid toe.
 
Het moment waarop de stichtingen die rechtspersoonlijkheid verkrijgen en dus ontstaan, verschilt naargelang het type stichting. De private stichting ontstaat op de dag dat haar statuten en de documenten betreffende de benoeming van de bestuurders worden neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waarin de zetel van de stichting zich bevindt, tezamen met een formulier I (te vinden op de website http://www.ejustice.just.fgov.be/tsv_pub/form_n.htm). De stichting van openbaar nut daarentegen ontstaat op de datum van het Koninklijk Besluit waarbij zij wordt erkend. Via een procedure in samenspraak met de bevoegde dienst bij de FOD Justitie zal dit Koninklijk Besluit in het bijzonder bevestigen dat het doel en de activiteiten van de stichting van openbaar nut wetsconform zijn.
 
De verkrijging van rechtspersoonlijkheid heeft bepaalde praktische gevolgen.
 
Vooreerst zal de stichting een aantal verplichtingen op vlak van openbaarheid, boekhouding ed. moeten nakomen (zie onder meer artikel 31, 37 en 42 V&S-wet).
 
Daarnaast heeft de rechtspersoonlijkheid tot gevolg dat de verbintenissen die de bestuurders aangaan in naam en voor rekening van de stichting geacht worden te zijn aangegaan door de stichting zelf. De bestuurders zijn bijgevolg niet persoonlijk verbonden wanneer zij handelen in naam en voor rekening van de stichting, en binnen het kader van de hen toegekende opdrachten en bevoegdheden. In zulk geval zal de stichting als enige gehouden zijn tot naleving van de aangegane verbintenissen. Dit betekent daarom nog niet dat een bestuurder zomaar lichtzinnig contracten kan afsluiten namens de stichting. De bestuurder moet zich bij de uitoefening van zijn mandaat immers steeds gedragen als een “normaal voorzichtige en vooruitziende bestuurder”, handelend in dezelfde omstandigheden. Wanneer een bestuurder bijvoorbeeld een concertgebouw huurt namens de stichting, en dit achteraf veel te groot en te duur blijkt te zijn voor de door de stichting geplande activiteiten, zal moeten worden nagegaan of een ander bestuurder, in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst, dezelfde beslissing zou hebben genomen. Zo blijkt dat de bestuurder lichtzinnig heeft beslist en dus afwijkt van het gedrag dat mag worden verwacht van de gemiddelde vooruitziende en voorzichtige bestuurder, dan kan hij persoonlijk ter verantwoording worden geroepen voor de schade die hij eventueel zou hebben veroorzaakt aan de stichting of aan derden.
 

Hoe wordt een stichting opgericht?

Vorm: bij authentieke akte

Zowel een private stichting als een stichting van openbaar nut, kan worden opgericht door één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen.
 
Overeenkomstig art. 27, derde lid V&S-wet kunnen stichtingen slechts worden opgericht bij authentieke akte  (zo kan een stichting zelfs worden opgericht bij wijze van een authentiek testament), dit op straffe van nietigheid. De tussenkomst van een notaris is aldus een absolute vereiste om op rechtsgeldige wijze over te gaan tot de oprichting van een stichting. Beslist (beslissen) de oprichter(s) zelf een akte op te maken zonder de tussenkomst van een notaris dan wordt de stichting geacht nooit te zijn opgericht. Een oprichting via onderhandse akte is aldus uitgesloten.
 
Het grote voordeel van de verplichte notariële tussenkomst is dat de legaliteit van de stichting uitdrukkelijk wordt gewaarborgd: de notaris moet immers de conformiteit van de oprichtingsakte met de wet nagaan en deze ook expliciet bevestigen in de akte. 
 

Inhoud: verplichte vermeldingen

De V&S-wet geeft een overzicht van de vermeldingen die verplicht moeten worden opgenomen in de statuten van de stichting, met name:
 
  • de identiteit van de stichters: voornaam, naam, woonplaats, geboortedatum en –plaats (naam, rechtsvorm, maatschappelijke zetel ingeval de stichters rechtspersonen zijn)
  • de naam van de stichting
  • de precieze omschrijving van het doel en de activiteiten van de stichting;
  • het adres van de maatschappelijke zetel
  • de wijze van benoeming, afzetting en ambtsbeëindiging van bestuurders, de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij deze bevoegdheden uitoefenen (indien in een orgaan van dagelijks bestuur wordt voorzien of indien er personen zijn die gemachtigd zijn om de stichting te vertegenwoordigen moeten deze gegevens ook voor deze organen in de statuten worden opgenomen)
  • het orgaan van bestuur, van vertegenwoordiging en van dagelijks bestuur
  • de bestemming van het vermogen van de stichting bij ontbinding
  • de voorwaarden voor statutenwijziging
  • de wijze waarop belangenconflicten moeten worden geregeld

Vereist minimumvermogen

De wetgever heeft geen minimumvereiste vooropgesteld betreffende het kapitaal dat vereist is voor de oprichting van een stichting. De stichter kan zich aldus in principe beperken tot een eerder symbolische bijdrage. Het resterende gedeelte van het stichtingsvermogen kan dan gevormd worden door schenkingen van andere personen, door overheidssubsidies of door inkomsten uit eventuele commerciële activiteiten die de stichting na haar oprichting ontwikkelt. Voor wat betreft de omvang van de commerciële activiteiten die een stichting mag ontwikkelen, verwijzen wij naar punt 5 van deze FAQ.
 
Volledigheidshalve moet worden vermeld dat er in het verleden bij de oprichting van een stichting van openbaar nut een beginvermogen van 25.000 EUR vereist werd door de Minister van Justitie. Deze administratieve praktijk is op heden afgeschaft, zodat het volstaat dat “een vermogen” wordt ingebracht. Een oprichtingskapitaal van één symbolische euro kan in beginsel volstaan, op voorwaarde dat het voldoende duidelijk is voor de notaris dat de stichting over voldoende middelen beschikt (of in de nabije toekomst zal beschikken) om levensvatbaar te zijn.
 

Hoe zijn de statuten opgebouwd?

De stichter(s) beschikt (beschikken) over een grote vrijheid bij het bepalen van de inhoud van de statuten. De V&S-wet voorziet in artikel 27 enkel een aantal minimumvermeldingen. Zo bepaalt de wet dat de statuten de voorwaarden moeten vermelden waaronder ze kunnen worden gewijzigd.
 
Belangrijk is dat de wijziging van een aantal gegevens in de statuten bij authentieke akte moet worden vastgesteld:
 
  • de precieze omschrijving van het doel of de doeleinden en de activiteiten
  • de wijze van benoeming, afzetting en ambtsbeëindiging, alsook de omvang van de bevoegdheden en de wijze waarop deze worden uitgeoefend, van de (dagelijks) bestuurders en de personen gemachtigd om de stichting te vertegenwoordigen
  • de bestemming van het vermogen bij ontbinding
  • de voorwaarden voor statutenwijziging
  • de wijze van regeling van belangenconflicten
De wetgever heeft niet voorzien in een bijzondere sanctie voor het geval bepaalde vermeldingen niet werden opgenomen in de statuten van de stichting.
 
Statuten die de wettelijk verplichte minimumvermeldingen niet bevatten zullen evenwel vaak geweigerd worden door de griffie wanneer zij worden neergelegd.
 
In ieder geval heeft de niet-vermelding van voormelde gegevens tot gevolg dat zij niet tegenstelbaar zijn aan derden.
 
Desgevallend kan een stichter, bestuurder of het openbaar ministerie op grond van art. 39, 4° V&S-wet de gerechtelijke ontbinding vorderen van de stichting wegens strijdigheid met de wet.
 
Welke activiteiten mag een stichting ontplooien?
 
Dat een stichting een belangeloos doel moet nastreven, neemt niet weg dat zij een industriële of commerciële activiteit kan ontplooien. Zij moet evenwel de “winst” die daaruit voortvloeit aanwenden ter verwezenlijking van het belangeloos doel.
 
Het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde hieromtrent op 17 november 2005 dat een stichting, anders dan een VZW, onbeperkt economische activiteiten mag ontwikkelen, voor zover voldaan is aan twee cumulatieve voorwaarden:
  • de ontwikkeling  van economische activiteiten mag geen doel op zich zijn én
  • de opbrengsten die voortvloeien uit de economische activiteiten moeten op aantoonbare wijze worden besteed  aan de verwezenlijking van het belangeloos doel. Wanneer de gehele activiteit van een stichting aldus gericht is op het ontplooien van economische activiteiten met het oog op het behalen van winst, handelt de stichting niet met oog op verwezenlijking van haar belangeloos doel en schendt zij aldus de V&S-wet.

Welke organen moet een stichting minimaal hebben? Mogen er extra organen worden gecreëerd?

Géén algemene vergadering, wél mogelijkheid van facultatieve organen

De stichting heeft geen algemene vergadering of ledenorgaan, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de VZW.
 
De V&S-wet verzet zich evenwel niet tegen de mogelijkheid om een ad hoc – orgaan (vaak een “raad van wijzen” of een “raad van toezicht” genoemd, soms ook “raad van aangeslotenen”) in te richten in de statuten, en er de samenstelling en werking van te omschrijven.
 
Een dergelijk orgaan is dan wel geen “orgaan” in de zin van de andere organen die door de V&S-wet in het leven worden geroepen (met name raad van bestuur en dagelijks bestuur), aangezien haar optreden niet tegenwerpelijk is aan derden.
 
De oprichting van een dergelijk ad hoc – orgaan kan bijvoorbeeld aangewezen zijn voor de benoeming en afzetting van de (dagelijks) bestuurders, voor de vaststelling van de vergoeding van de bestuurders, voor de wijziging van de statuten, voor de goedkeuring van de jaarrekening en de begroting, voor het verlenen van kwijting aan de bestuurders, voor het instellen van aansprakelijkheidsvorderingen tegen de bestuurders e.d.m.
 

Raad van bestuur

De raad van bestuur is het enige bij wet verplichte orgaan in een stichting.
 
De oorspronkelijke gedachte dat de stichting een “doelvermogen” is (d.w.z. een vermogen ter exclusieve verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel), ligt aan de basis van deze juridische vormgeving. Het enige wat er nodig is, is een bestuur dat het vermogen beheert in functie van de “belangeloze” doelstelling.
 
Overeenkomstig art. 34 § 1 V&S moet de raad van bestuur zijn samengesteld uit ten minste drie bestuurders, die zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen zijn.
 
De leden van de raad van bestuur oefenen hun ambt principieel collegiaal uit. Dit houdt in dat zij bij het nemen van beslissingen steeds zullen streven naar consensus en slechts wanneer dat niet mogelijk blijkt, over zullen gaan tot stemming (met meerderheidsbeslissing).
 
Overeenkomstig art. 34 § 1 V&S-wet is de raad van bestuur bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van de doeleinden van de stichting. De statuten kunnen deze wettelijke bestuursbevoegdheid wel beperken, althans voor wat betreft de interne afspraken.
 

Orgaan van dagelijks bestuur

De wet voorziet geen definitie van het begrip “dagelijks bestuur”, zodat wij aangewezen zijn op de omschrijving die de rechtspraak terzake aanreikt. In een recent arrest van het Hof van Cassatie werd geoordeeld dat daden van dagelijks bestuur die daden zijnwelke geboden zijn door de noden van het dagelijks leven van de vennootschap én die zowel wegens het geringe belang als wegens de noodzaak van een snelle oplossing, het optreden van de raad van bestuur zelf overbodig maken”. De verrichting moet aldus van beperkt belang zijn en een snelle afhandeling moet noodzakelijk zijn, opdat een handeling onder het dagelijks bestuur zou vallen.
 
De raad van bestuur kan zowel het dagelijks bestuur zelf als de vertegenwoordiging van de stichting bij handelingen van dagelijks bestuur, opdragen aan één of meerdere personen die alleen of gezamenlijk optreden. De zogenaamde dagelijks bestuurders kunnen al dan niet lid zijn van de raad van bestuur. 
 
De wijze van benoeming, afzetting en ambtsbeëindiging alsook de omvang van de bevoegdheden van de perso(o)n(en) aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen, moeten in de statuten worden vastgelegd. Ingeval er beperkingen worden opgelegd aan de bevoegdheden van de dagelijks bestuurder(s), bijvoorbeeld een financiële beperking tot een bepaald bedrag, is het van belang dat dergelijke bevoegdheidsbeperkingen louter intern werken en aldus niet aan derden kunnen worden tegengeworpen. Ten aanzien van derden heeft een bevoegdheidsbeperking aldus geen enkele betekenis: derden moeten enkel nagaan of hun medecontractant werkelijk benoemd is als dagelijks bestuurder, en hoeven zich niets aan te trekken van een eventuele financiële bevoegdheidsbeperking in hoofde van hun medecontractant.
 
Stel bijvoorbeeld dat de dagelijks bestuurder een contract ondertekent voor een evenement ten belope van  100.000,00 EUR. De benoeming van de dagelijks bestuurder is conform de wet gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Aan de bevoegdheid van de dagelijks bestuurder is evenwel een financiële beperking gekoppeld, die hem toelaat slechts handelingen van dagelijks bestuur te stellen tot een bedrag van 25.000,00 EUR.
Stel dat de raad van bestuur niet akkoord is met het ondertekende contract, bijvoorbeeld omdat de stichting financieel krap bij kas zit. Wat zijn dan de gevolgen? De stichting is in elk geval gehouden tot uitvoering van de overeenkomst t.a.v. de medecontractant. Ze werd immers extern volledig rechtsgeldig vertegenwoordigd op basis van een statutaire éénhandtekeningsclausule die steeds geacht wordt algemeen en onbeperkt te zijn. De medecontractant moest enkel nagaan of de dagelijks bestuurder nog benoemd was aan de hand van de publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Het feit dat de statuten uitdrukkelijk vermelden dat de bevoegdheid van de dagelijks bestuurder beperkt is tot een bedrag van 25.000,00 EUR doet daar geen afbreuk aan en werkt enkel intern.
 

Hoe worden de bestuurders van een stichting benoemd, ontslagen en afgezet?

De wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders van een stichting is niet wettelijk geregeld. De wetgever wilde op dat punt immers een zo groot mogelijke flexibiliteit realiseren in het licht van de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de stichting. Deze grote flexibiliteit impliceert evenwel dat de wijze van benoeming en ontslag in de statuten moet worden uitgewerkt. Zo kunnen de statuten bepalen dat ieder opengevallen bestuurdersmandaat zal worden ingevuld door middel van coöptatie, i.e. via aanduiding door de overblijvende bestuurders. Ook kan de bevoegdheid tot benoeming en/of afzetting van bestuurders worden toevertrouwd aan de stichter(s) of aan een andere derde. Daarnaast kan ook worden voorzien dat het mandaat van een bestuurder van rechtswege een einde neemt, bij het verlies van een bepaalde hoedanigheid.
 
Ook de wijze waarop bestuurders kunnen worden afgezet moet in de statuten worden opgenomen. Zo kunnen de statuten bepalen dat bestuurders, naast de afzetting door de raad van bestuur, ook kunnen  worden afgezet door een beslissing van de rechtbank van eerste aanleg wanneer 1) de bestuurder kennelijk nalatig is bij de uitoefening van zijn mandaat, 2) de bestuurder de verplichtingen opgelegd door de statuten of de wet niet respecteert of 3) de bestuurder de goederen van de stichting aanwendt in strijd met hun bestemming of voor een doel in strijd met de statuten, de wet of de openbare orde.
 

Hoe werkt de raad van bestuur van een stichting en op welke wijze legt de raad van bestuur rekenschap en verantwoording af?

De leden van de raad van bestuur oefenen hun ambt op collegiale wijze uit. Dit impliceert dat zij in eerste instantie streven naar consensus en pas bij gebreke daaraan beslissen bij wijze van stemming.
 
Indien de statuten dit toestaan kunnen, in uitzonderlijke gevallen en wanneer de dringende noodzakelijkheid en het belang van de stichting dat vereisen, de besluiten van de raad van bestuur worden genomen bij schriftelijk akkoord van de bestuurders. Tenzij de statuten dit expliciet voorschrijven is voor dergelijke schriftelijke besluitvorming geen unanimiteit vereist, dit in tegenstelling tot de regeling bij naamloze vennootschappen.
 
De leden van de raad van bestuur kunnen overeenkomen de taken onderling te verdelen en bijvoorbeeld een voorzitter, secretaris en penningmeester aanduiden. Dergelijke bevoegdheidsverdeling is alleen van belang voor de interne werking van de stichting en kan niet worden tegengeworpen aan derden, zelfs niet indien zij is openbaargemaakt.
 
Aangezien stichtingen niet (noodzakelijk) beschikken over een orgaan dat toezicht houdt op de raad van bestuur, spelen de regels inzake de regeling van belangenconflicten een belangrijke rol. Zij zullen – althans gedeeltelijk – de rol opvangen van de algemene vergadering bij VZW’s.
 

Hoe wordt een stichting extern vertegenwoordigd?

In beginsel vertegenwoordigt de raad van bestuur de stichting “in en buiten rechte”. D.w.z. dat zij optreedt namens de stichting voor normale transacties (bijv. sluiten van leverancierscontracten) alsook voor een rechtbank (als eiser en als verweerder).
 
De statuten kunnen de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid evenwel delegeren aan één of meer bestuurders die alleen of gezamenlijk handelen. Dergelijke zogenaamde één- of meerhandtekeningsclausules zijn tegenwerpelijk aan derden zodra zij zijn bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Noch derden noch de stichting zelf kunnen zich dan nog beroepen op de beweerde ongeldigheid van de gestelde handeling(en).
 
Belangrijk verschil met VZW’s is dat een dergelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid niet kan worden gedelegeerd aan één of meerdere derden die geen bestuurder zijn, maar beperkt is tot bestuurders van de stichting.
 

Wat is de fiscale status van een stichting? Zijn er in dat verband verschillen tussen de private stichting en de stichting van openbaar nut?

Stichtingen zijn net zoals alle andere rechtspersonen onderworpen aan de inkomstenbelasting, hetzij de vennootschapsbelasting hetzij de rechtspersonenbelasting.
 
Ingeval een stichting economische activiteiten ontwikkelt, is zij daarenboven BTW-belastingplichtig.
 
Daarnaast zijn private stichtingen, net zoals bijvoorbeeld VZW’s, onderworpen aan de taks ter vergoeding van de successierechten (ook patrimoniumtaks genoemd). Dit is een jaarlijkse belasting à rato van 0,17% op het gehele vermogen van de stichting. Stichtingen van openbaar nut zijn daarentegen vrijgesteld van patrimoniumtaks. Het spreekt dan ook voor zich dat de figuur van de stichting van openbaar nut erg populair is voor rechtspersonen zonder winstoogmerk die over een aanzienlijk patrimonium beschikken (bijv. een grote kunstcollectie of een kasteel). 
 
Tot slot zijn stichtingen ook onderworpen aan registratierechten wanneer zij schenkingen ontvangen. De plaats van de schenking bepaalt welk gewest bevoegd is om registratierechten te heffen en welke tarieven van toepassing zijn. Het is de fiscale woonplaats in België van de schenker die aldus bepaalt welk tarief toepasselijk is. Voor private stichtingen bedragen deze registratierechten steeds 7% van de waarde van de schenking. Bij stichtingen van openbaar nut geldt evenwel een voordeliger tarief van 6,6% voor registratierechten op ontvangen schenkingen die worden gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op deze tarieven wordt een uitzondering gemaakt in geval van een schenking van een non-profit organisatie (NPO, waaronder een VZW of een stichting), aan een andere NPO. Voor dergelijke “inbrengen om niet” tussen non-profit organisaties geldt een vast recht van 100 EUR. Inbrengen om niet tussen NPO’s onderling zijn aldus veel voordeliger dan schenkingen van een andere rechtspersoon of natuurlijke persoon aan een NPO.
 

Op welke wijze wordt een stichting opgedoekt?

Overeenkomstig art. 39 V&S-wet kan een stichting enkel ontbonden worden door een beslissing van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waar de stichting haar zetel heeft. In tegenstelling tot de VZW kan de stichting bijgevolg niet het voorwerp uitmaken van een vrijwillige ontbinding.
 
 De rechtbank van eerste aanleg kan de ontbinding uitspreken van de stichting:
 
  • waarvan de doeleinden zijn verwezenlijkt;
  • die niet langer in staat is de doeleinden na te streven waarvoor zij werd opgericht;
  • die haar vermogen of de inkomsten uit dat vermogen voor andere doeleinden aanwendt dan het  maatschappelijk doel;
  • die in ernstige mate in strijd handelt met haar statuten, de wet of de openbare orde;
  • waarvan de duur is verstreken, ingeval de stichting werd opgericht voor een bepaalde duur;
  • die gedurende 3 opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen (dit kan geregulariseerd worden door neerleggen van de ontbrekende jaarrekeningen vóór de sluiting van de debatten).
De rechtbank die de ontbinding uitspreekt, kan ofwel beslissen de vereffening onmiddellijk af te sluiten ofwel  de wijze van vereffening bepalen en één of meer vereffenaars aanwijzen.
 
In het tweede geval, brengen de vereffenaars verslag uit na afloop van hun vereffeningswerkzaamheden. Zij geven daarbij een overzicht van de activa en doen een voorstel van bestemming van het netto-actief, dit met inachtneming van de bepalingen in de statuten. Overeenkomstig art. 28, 6° V&S-wet moeten de statuten aangeven welke bestemming aan het vermogen van de stichting dient te worden gegeven ingeval zij wordt ontbonden. Daarenboven bepaalt het artikel dat het vermogen bij ontbinding moet worden bestemd tot een ideëel doel. Naar analogie met de regeling die geldt voor VZW’s, houdt dit in dat het vermogen bestemd moet worden voor een andere non-profit organisatie (‘NPO’) met een gelijkaardig doel, waaronder een VZW, een IVZW, een private stichting, een stichting van openbaar nut, … Na het bepalen van de bestemming van het netto-actief, beslist de rechtbank tot slot tot afsluiting van de vereffening.
 
Als randbemerking geven wij nog mee dat art. 28,6° V&S-wet voorziet in een recht op terugname voor de stichter wanneer het belangeloos doel van de stichting is verwezenlijkt. Uitzonderlijk, en mits dit statutair is voorzien, kan de stichter (of diens rechthebbende) een bedrag gelijk aan de waarde van de goederen of de goederen zelf die hij aan de verwezenlijking van dat doel heeft besteed, terugnemen.
x

Cookies

This website uses both functional and non-functional cookies. For the placement and reading of non-functional cookies, we require your prior consent; for functional cookies. You can change the use of cookies later and adjust your preferences.
More info in our Cookie Policy.
I agree