di 9 januari 2007

verslag Studiedag fiscaliteit en inkomsten uit artistieke prestaties op 15/12/2006 in deSingel - Antwerpen

INLEIDING
 
Kunstenaars begaven zich in het verleden vaak in een onzekere rechtspositie. Op sociaal vlak werd in 2003 een belangrijke stap vooruit gezet, met de introductie van het bijzonder sociaal statuut voor kunstenaars.
Op fiscaal vlak bestaat er op dit ogenblik geen apart wettelijk kader voor de kunstenaars dat rekening houdt met hun bijzondere karakteristieken. Dit betekent dat zij aan dezelfde regels zijn onderworpen als andere belastingplichtigen met als gevolg een aantal onduidelijkheden en problemen.
Het Kunstenloket nam het initiatief om op een studiedag een aantal fiscale knelpunten onder de loep te nemen. Deze werden gebundeld in enkele vragen die werden voorgelegd aan enkele fiscalisten, die in deze domeinen over een bijzondere expertise beschikken.
 
1. Hoe worden artistieke inkomsten door een fiscale bril bekeken? Hoe kan men rekening houden de wisselende inkomsten van kunstenaars? (Dirk Deschrijver, bedrijfsjurist en belastingconsulent)
2. Op welke manier worden de inkomsten uit auteursrechten fiscaal behandeld? Kan hierin een lijn worden getrokken? (Anne Rayet, advocaat aan de Brusselse balie)
3. Hoe moeten kunstenaars een kostenvergoeding fiscaal aangeven? Kan dat niet eenvoudiger, met minder administratieve rompslomp? (Anne Rayet, advocaat aan de Brusselse balie)
4. In welke gevallen zijn kunstenaars verplicht om BTW aan te rekenen? Kunnen de BTW-vrijstellingen en -tarieven niet worden geharmoniseerd? (Herman De Cnijf, directeur van de Fiscale Hogeschool)
 
Bij elk van die vragen worden de bestaande knelpunten in kaart gebracht en lanceren de experts enkele voorstellen om de fiscale situatie van kunstenaars te verbeteren. Hierbij kan ook inspiratie gehaald uit een aantal fiscale maatregelen in Nederland, ingericht om het fiscaal statuut van de kunstenaar verbeteren. Deze werden toegelicht door Dick Molenaar, belastingadviseur. De suggesties van de experts werden ten slotte, tijdens een panelgesprek, ook afgetoetst bij Luc Vandevelde, vertegenwoordiger vanhet kabinet van de minister van Financiën.
 
 
 
 
 
1. IS ER NOOD AAN EEN APART FISCAAL STATUUT VOOR KUNSTENAARS?
 
Het wetboek der inkomstenbelastingen deelt inkomsten op in vier grote categorieën: de onroerende, roerende, beroeps- en diverse inkomsten. Voor kunstenaars geldt deze algemene opdeling evenzeer. De vraag is vooral: hoe moet een inkomen uit artistieke activiteiten worden getypeerd? Binnen de zeer heterogene groep van kunstenaars wordt meestal de opdeling gemaakt tussen de scheppende en de uitvoerende kunstenaars. Binnen die twee categorieën kunnen inkomsten worden gegenereerd uit de activiteit zelf (respectievelijk het creëren of vertolken) of uit de exploitatie ervan (onder de vorm van auteursrechten en naburige rechten).
 
In de meeste gevallen worden de inkomsten behaald uit artistieke activiteiten, belast als een beroepsinkomen. De wet voorziet deze typering indien er in de vergaring van de inkomsten een bepaalde regelmaat is en/of een link met de beroepsactiviteit. Hoe de kunstenaar het beroepsinkomen precies moet vermelden in de belastingaangifte, is afhankelijk van de feitelijke situatie. Indien hij zijn inkomen genereert als werknemer, dan moet hij dit aangeven in deel 1 van de aangifte (lonen). Realiseert hij de inkomsten als zelfstandige, dan is deel 2 van de aangifte van toepassing (baten). Voor de inkomsten uit eenmalige artistieke prestaties, die niet voortvloeien uit de beroepsactiviteit, wordt een uitzondering gemaakt: de belastingplichtige mag deze op de aangifte vermelden als een divers inkomen. Dat laatste is voor de belastingplichtige meestal voordeliger, aangezien de diverse inkomsten apart worden belast aan een tarief van 33 procent. Indien ze echter als beroepsinkomen worden beschouwd, dan worden ze mee opgenomen in de totale belastbare basis en zijn ze dus onderworpen aan de progressieve tarieven (het hoogste loopt op tot 50 procent). Voor inkomsten uit de licentie van auteursrechten bestaat er een uitzondering. Zij kunnen volgens Anne Rayet niet als beroepsinkomen of divers inkomen worden beschouwd, maar als roerend inkomen (zie verder in punt 2).
 
In het geval van beroepsinkomen gebeurt de heffing van belastingen volgens enkele belastingprincipes, die niet altijd even gunstig uitvallen voor artistieke activiteiten. Een van die principes is dat van annualiteit, wat betekent dat een inkomen op jaarbasis wordt belast. Daarnaast is er het principe van progressiviteit dat bepaalt dat de hoge inkomens (op jaarbasis bepaald) aan hogere belastingtarieven moeten worden onderworpen. Volgens Dirk Deschrijver is de combinatie van deze twee principes in het nadeel van bepaalde beroepscategorieën die een sterk schommelend inkomen hebben. Zij worden in de jaren dat ze een goed inkomen realiseren immers aan de hoogste marginale tarieven belast. Dat weegt zwaarder door dan de lage marginale tarieven die van toepassing zijn in de ‘magere jaren’. Daardoor betalen zij uiteindelijk méér belastingen dan belastingplichtigen die elk jaar hetzelfde gemiddeld inkomen verdienen.
 
Dirk Deschrijver erkent wel dat er in de huidige belastingwetgeving enkele uitzonderingen zijn die de werking van het annualiteitsprincipe verzachten. Een belastingplichtige kan ook een beroepsverlies, dat hij in het verleden heeft gerealiseerd, verrekenen met toekomstige beroepsinkomsten (‘carry forward’ principe). Ook de progressiviteit wordt in België getemperd. Zo wordt voor prijzen en subsidies een eenvormig tarief van 16,5 procent toegepast. In bepaalde door de wet duidelijk omschreven gevallen kunnen deze zelfs volledig worden vrijgesteld van belastingen. Anne Rayet pleit er trouwens voor om deze vrijstelling uit te breiden tot alle prijzen en subsidies die worden uitgereikt door openbare instellingen. Zoniet is er in feite sprake van een vestzak-broekzakoperatie.
 
Dirk Deschrijver lanceert tal van ideeën die een oplossing zouden kunnen bieden voor belastingplichtigen met een sterk schommelend inkomen. Hij identificeert twee voorstellen die naar zijn oordeel het best het hoofd bieden aan de problematiek van kunstenaars. Een eerste mogelijkheid bestaat erin om kunstenaars niet te belasten op hun jaarinkomen, maar op een gemiddelde van de voorbije jaren. Deze is vergelijkbaar met de regeling die Nederland van toepassing is op ‘kleine ondernemingen’, en dus ook kan worden aangewend door kunstenaars. Een tweede, meer extreme, is een aparte categorie te voorzien voor beroepsinkomsten uit artistieke activiteiten, en deze proportioneel te belasten (of in extreme gevallen, zoals in Ierland, dit zelfs geheel of gedeeltelijk vrij te stellen).
 
Er moeten in beide gevallen natuurlijk argumenten worden gevonden om op objectieve wijze een verschillende behandeling te rechtvaardigen voor deze inkomsten(het Arbitragehof controleert of het gelijkheidsbeginsel wordt gerespecteerd). Zelf acht hij de eerste piste politiek het meest haalbaar. Deschrijver wijst ten slotte op de mogelijkheid om de artistieke activiteit in een vennootschap onder te brengen. Daardoor worden de inkomsten automatisch aan een proportioneel tarief (bijvoorbeeld in de vennootschapsbelasting) onderworpen, en kan er autonoom worden beslist welk bedrag er als loon wordt uitgekeerd aan de kunstenaar. De nieuwe, meer flexibele kapitaalvereisten zullen bovendien de overstap naar een vennootschapsstructuur vereenvoudigen.
 
Ludo Vandevelde acht een systeem van gemiddelde inkomens de moeite waard om te overwegen. Tegelijkertijd is hij terughoudend voor de invoering van nieuwe fiscale uitzonderingsregelingen. Vanuit politieke hoek gelooft hij vooral in de voordelen van een algemene lastenverlaging, waarvan kunstenaars dan vanzelfsprekend ook gebruik kunnen maken. De uitslag van de nationale verkiezingen zal volgens Ludo Vandevelde bepalen of zulke lastenverlaging er daadwerkelijk komt. Ludo Vandevelde is het eens dat een belasting op prijzen en subsidies, toegekend door openbare instellingen weinig zin heeft. Hij wijst er evenwel op dat deze discussie niet zo eenvoudig is in een gefederaliseerd land zoals België.
 
 
2. HOE MOETEN AUTEURSRECHTEN FISCAAL WORDEN BEHANDELD?
 
Wanneer een artistiek inkomen met een zekere regelmaat wordt verdiend en/of samenhangt met de beroepsactiviteit, dan wordt dit meestal als een beroepsinkomen beschouwd. Volgens Anne Rayet geldt deze redenering niet voor de inkomsten uit de licentie van auteursrechten. In haar argumentatie wijst ze op het algemene principe dat iets maar belastbaar is indien dit zo door de wet wordt voorzien. In alle andere gevallen is er geen belastingheffing. Vervolgens moet volgens de ‘bronnentheorie’ telkens worden onderzocht welk type inkomen van toepassing is.
 
Voor de meeste artistieke inkomsten leidt de bronnentheorie inderdaad tot een beroeps- of divers inkomen. Specifiek voor de inkomsten uit de exploitatie van auteursrechten hanteert Anne Rayet een andere redenering voor kunstenaars die hun rechten overdragen aan een derde partij, die deze rechten verder exploiteert (en daarvoor een vergoeding uitbetaalt aan de kunstenaar). Aangezien dit auteursrecht kan worden beschouwd als een roerend goed (ongeacht de onlichamelijke aard van dit recht) kan de licentie van dit recht, opnieuw volgens de bronnentheorie, worden beschouwd als een roerend inkomen.
 
Deze classificatie heeft op fiscaal vlak belangrijke gevolgen. Een roerend inkomen wordt immers onderworpen aan een bevrijdende roerende voorheffing. Het bevrijdende karakter leidt ertoe dat het inkomen niet wordt onderworpen aan de progressieve tarieven, waardoor de werkelijke belastingdruk (het tarief van de roerende voorheffing bedraagt respectievelijk 15 of 25 procent) een stuk lager uitvalt. In realiteit blijkt de rechtsleer op dit vlak nog steeds verdeeld.
 
Volgens de panelleden is er inderdaad te veel onduidelijkheid op het vlak van de fiscale kwalificatie van auteursrechten. Ze zijn het erover eens dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang het inkomen rechtstreeks wordt behaald uit de verkoop van de rechten (dan kan het als een divers of beroepsinkomen worden beschouwd) of wanneer de rechten  door een derde partij wordt geëxploiteerd en hiervoor een vergoeding wordt uitbetaald aan de auteur. De panelleden treden Anne Rayet bij dat er in dat laatste geval geen sprake van een beroepsinkomen, maar van een roerend inkomen. Ludo Vandevelde wijst er evenwel op dat elk geval apart moet worden getoetst aan de werkelijkheid. Om rechtszekerheid te creëren, pleit Anne Rayet voor de invoering van een aparte categorie van belastingen voor inkomsten uit de exploitatie van auteurs- en naburige rechten. Ludo Vandevelde sluit zich hierbij aan.
 
 
3. WELKE BEROEPSKOSTEN KUNNEN KUNSTENAARS FISCAAL VERREKENEN?
 
De algemene fiscale regel is dat wie een inkomen verwerft, ook de kosten gemaakt om dat inkomen te verwerven, in rekening mag brengen. Met andere woorden, de belastingplichtige wordt dus enkel belast op zijn netto-inkomen. De belastingplichtige moet deze beroepskosten dan wel zelf aantonen en hiervoor bewijsstukken verzamelen. 
 
Op sociaal zekerheidsvlak werd een bijzonder regime ingevoerd. Zo bestaat de mogelijkheid om een onkostenvergoeding, de zogenaamde ‘kleine vergoeding’, uit te keren aan een kunstenaar. Indien deze beneden respectievelijk de daggrens van 105,57 euro en de jaargrens van 2.111,32 euro (bedragen 2007) blijft, dan zijn hierop geen sociale bijdragen verschuldigd (door werkgever noch werknemer). Deze redenering mag volgens de huidige wetgeving echter niet worden doorgetrokken naar de inkomstenbelastingen. Indien een belastingplichtige een kleine vergoeding ontvangt, dan is deze dus gewoon belastbaar in de inkomstenbelasting. Het staat hem natuurlijk vrij om de reële beroepskosten daadwerkelijk te bewijzen (zodat het uiteindelijk fiscaal resultaat nihil is). Het probleem is dat het niet altijd eenvoudig is om bewijsstukken te vergaren voor dergelijke kleine onkosten.
 
Anne Rayet oordeelt dat het de transparantie en de eenvoud ten goede zou komen, indien de kleine vergoeding ook op het vlak van de directe belastingen zou worden vrijgesteld van bewijslast van kosten. Dat impliceert natuurlijk dat die kosten niet ook kunnen worden afgetrokken. Het voordeel zou erin bestaan dat de belastingplichtige kunstenaar op die manier aan een administratieve verplichting ontsnapt.
 
Een ander heikel punt dat Anne Rayet aanhaalt, is de verschillende aanpak die door belastingambtenaren soms wordt toegepast. Zo is er naar haar mening in bepaalde, vaak eerder landelijke kantoren, een beperkte ervaring met de specificiteit van een kunstenaar. Zo worden de beroepskosten van kunstenaars soms in vraag gesteld, omdat deze niet noodzakelijk leiden tot een inkomen. Nochtans is deze onzekerheid eigen aan artistieke beroepen. Volgens Anne Rayet is er bij bepaalde administraties dan ook behoefte aan meer informatie over de eigenheid van artistieke beroepen. De situatie in andere landen, zoals Nederland toont aan dat er op dit vlak een betere communicatie mogelijk is tussen belastingplichtige en belastingadministratie. Dick Molenaar voegt toe dat het Nederlandse belastingssysteem op dat vlak flexibeler is en dat de beroepskosten niet volledig moeten worden bewezen, maar als ‘aannemelijk’ moeten worden beschouwd.
 
Tijdens het panelgesprek verduidelijkt Ludo Vandevelde dat Minister van Financiën Reynders het voorstel om de kleine vergoedingsregeling vrij te stellen van inkomstenbelastingen, op tafel legt bij de ministerraad van januari. Ludo Vandevelde geeft wel aan dat meerdere dossiers aan elkaar verbonden zijn, zodat het nog even afwachten is wanneer deze aanpassing concreet in werking zal treden. Ludo Vandevelde erkent eveneens de noodzaak aan correcte informatie bij de diverse administratiekantoren. Een vergelijking met de situatie in Nederland is naar zijn mening weliswaar interessant maar niet helemaal toepasbaar, aangezien de administratie daar een andere maatschappelijke rol vervult.
 
 
4. IS EEN UNIFORME BTW-REGELING VOOR KUNSTENAARS WENSELIJK?
 
Een kunstenaar die artistieke prestaties levert, moet in bepaalde gevallen ook BTW aanrekenen. Het criterium is in feite of de kunstenaar (ongeacht of hij optreedt als natuurlijk of rechtspersoon) vanuit zijn economische activiteit als BTW-plichtige wordt beschouwd. In dat geval is hij verplicht is om aan de afnemer BTW aan te rekenen en deze door te storten aan de fiscus. Voor deze BTW-plichtige brengt dit natuurlijk heel wat administratie met zich mee (onder de vorm van periodieke aangiftes en dergelijke meer). Het leidt bovendien tot een kostenverhoging voor zijn afnemer. Daar tegenover staat dat een BTW-plichtige zelf wel het recht heeft om de BTW die hij zelf moet betalen aan zijn leveranciers, in het kader van zijn beroepsactiviteit, te recupereren.
 
De belangrijkste vraag is nu wanneer een kunstenaar als BTW-plichtige wordt beschouwd en onder welke voorwaarden hij hiervoor vrijstelling kan bekomen. Volgens Herman De Cnijf beantwoordt een kunstenaar die zijn prestatie op zelfstandige basis levert, in principe aan de voorwaarden van BTW-plichtige. Gebeurt de prestaties als loontrekkende met arbeidsovereenkomst, dan kan hiervan geen sprake zijn, aangezien de kunstenaar dan niet voldoet aan de voorwaarde van zelfstandigheid. Let op: de fiscale en sociaalrechtelijke regels stemmen op dit vlak niet altijd overeen. Het is dus best mogelijk dat een kunstenaar, via het nieuwe statuut, op sociaal zekerheidsvlak als werknemer door het leven gaat, maar voor de BTW-regels als zelfstandige wordt beschouwd (en hij dus ook de voorafbetaalde BTW kan recupereren). Het zijn dus de feitelijke omstandigheden die de doorslag moeten geven
 
In bepaalde gevallen kan men wel beroep doen op de vrijstelling van BTW-plicht. Momenteel bestaat er ook nog wel wat onduidelijkheid over de precieze modaliteiten. De mogelijkheid van vrijstelling wordt alleszins geboden aan iedereen (dus niet enkel kunstenaars) die een beperkte omzet realiseren. Specifiek voor de levering van kunstvoorwerpen geldt er volgens Herman De Cnijf geen algemeen vrijstellingsregime, aangezien de Europese regelgeving dit aan de lidstaten niet toestaat (staten hebben terzake enkel de mogelijkheid om een verlaagd tarief toe te passen). Wél bestaat er een vrijstellingsregime voor bepaalde categorieën van kunstenaars, zoals uitvoerende kunstenaars en auteurs (contracten van uitgave). Die vrijstelling voor auteurs kan evenwel in vraag worden gesteld.  Dick Molenaar voegt toe dat er in Nederland ook discussie heerst of die vrijstelling voor auteurs wel in overeenstemming is met de Europese richtlijn. Voor uitvoerende kunstenaars bestaat er volgens Herman De Cnijf  een discrepantie tussen natuurlijke en rechtspersonen. Totnogtoe wordt de vrijstelling in de praktijk enkel toegestaan voor natuurlijke personen, onder meer bij uitvoerende artistieke prestaties. Volgens Herman De Cnijf is deze discriminatie onterecht en werd dit bevestigd door een vonnis van de rechtbank van Luik. De Minister van Financiën verwees al langer naar plannen om deze discriminatie uit de wet te halen, maar totnogtoe zijn deze wetgevende initiatieven al enkele keren uitgesteld. Volgens de laatste uitspraken van Staatssecretaris Jamar is het ‘weinig waarschijnlijk dat op korte termijn een nieuw BTW-stelsel in werking treedt’.
 
Een tweede, essentiële vraag voor de artistieke sector betreft het BTW-tarief dat moet worden toegepast. Het standaardtarief bedraagt 21 procent. De tussenpersonen in de artistieke sector moeten dit standaardtarief altijd toepassen, aangezien zij zich niet kunnen beroepen op een uitzonderingsregeling. Anders is het voor de artistieke prestaties zelf, met name deze van de artistieke schepper en de uitvoerder. Zij kunnen onder meer beroep doen op het verlaagde tarief van 6 procent dat van toepassing is voor de levering van kunstvoorwerpen. Herman De Cnijfsignaleert in dat kader dat de BTW-wetgeving niet up-to-date is op het vlak van de omschrijving van de artistieke activiteiten. Dit geldt onder meer voor de videokunsten die niet worden vermeld in de nominatieve lijst van uitzonderingen (KB 20). Het gevolg is dat op videokunsten tot nader order een BTW-tarief van 21 procent van toepassing is. Herman De Cnijf gelooft dan ook dat deze wetgeving dringend moet worden geactualiseerd.
 
Tijdens het panelgesprek benadrukte Ludo Vandevelde dat de nieuwe programmawet eenduidig vermeldt dat 21 procent inderdaad het gewone tarief is en een lager tarief enkel mogelijk is in het geval van specifieke omschreven activiteiten. Hij erkent dat de huidige wetgeving inderdaad niet meer up-to-date is met de diversiteit van kunststromingen Volgens Ludo Vandevelde is er reeds geruime tijd een wetswijziging voorbereid om het verlaagde BTW-tarief uit te breiden naar nieuwe kunstvormen. Hij heeft er een goed oog in dat de wet in januari nog zou worden aangepast.
Inzake de discriminatie tussen natuurlijke en rechtspersonen is er volgens Ludo Vandevelde nu daadwerkelijk een circulaire in de maak, waardoor in de praktijk het onderscheid tussen rechts- en natuurlijke personen niet meer zou worden gehanteerd.